Over de afgelopen decennia heeft het Nederlandse elektriciteitsnet zich gestaag ontwikkeld: van een transportnet dat wordt ingevoed met een constante hoeveelheid elektriciteit, naar een flexibel net dat door schommelingen in de opbrengsten van wind- en zonprojecten en de toename daarvan, nog verdere stabilisatie en uitbreiding behoeft. Gezien de verplichting van de netbeheerder om de aanleg van het net zo kostenefficiënt mogelijk uit te voeren, heeft de netbeheerder hierbij geanticipeerd op de verwachte vraag per regio. Dit heeft zich erin geresulteerd dat in de buitengebieden in de noordelijke regio’s de netwerkcapaciteit het kleinst is, omdat hier tot voor kort een kleinere vraag naar elektriciteit was.

Tekst: Sophie Dingenen, Margot Besseling & Sharon van de Kerkhof, Corporate Energy Team, Bird & Bird LLP

Nu de energietransitie steeds grote proporties aanneemt staat ook het traditionele elektriciteitsnetwerk onder druk. Bij het verduurzamen van de energievoorziening wordt op dit moment groots ingezet op de ontwikkeling van zon en wind op land. Gezien de relatief lage grondprijzen in Noord-Nederland zien projectontwikkelaars hun kans schoon in provincies als Groningen, Drenthe en Overijssel. Daarnaast propageren deze noordelijke provincies en gemeenten proactief voor het gebruik van grond voor zonneparken of bijvoorbeeld het plaatsen van zonnepanelen op daken van boerderijen of sportverenigingen. Als gevolg hiervan heeft de ontwikkeling van duurzame energieprojecten in de noordelijke provincies een vlucht genomen. Waar dit vooral goed nieuws zou moeten zijn in het kader van de energietransitie, levert dit ook problemen op voor het juist zo beperkte regionale elektriciteitsnetwerk in Noord-Nederland. In plaats van het traditionele eenzijdige transport richting de (beperkte) regionale afnemers, is de consequentie van het aansluiten van al die nieuwe duurzame productieinstallaties dat het net nu capaciteit dient te bieden voor een veel groter tweeledig transport (afname en invoeding).

Vreemd genoeg gedragen de landelijke netbeheerder TenneT (110kV en hoger) en de regionale netbeheerders in de noordelijke provincies, Liander en Enexis (10 en 20kV), zich alsof de recente vraag naar capaciteit op het net toch als een verrassing komt. Dit ondanks de reeds jarenlange stimulering van de ontwikkeling van duurzame energieprojecten middels subsidies, zoals de SDE+ in het kader van de energietransitie en de toenemende populariteit van zonnepanelen door de drastisch gedaalde inkoopkosten. Op 8 januari liet TenneT weten dat de vraag naar transportcapaciteit in de noordelijke provincies zodanig is geëscaleerd dat er op verschillende punten op het net geen aanvragen voor grootverbruikaansluitingen (meer dan 3*80 Ampère) door TenneT en Enexis kunnen worden verwerkt en dat in verschillende regio’s maar een beperkte transportcapaciteit beschikbaar is.

Wettelijke aansluitplichtProblematische stations tennet

Netbeheerders hebben gezien hun monopolie positie en de daaruit volgende verplichting om op verzoek van een producent op niet-discriminatoire wijze een aansluiting op het net te realiseren, een belangrijke rol in de verduurzaming van de energievoorziening. Er worden daardoor strenge eisen gesteld. Om marktpartijen te beschermen en om oneerlijke concurrentie te voorkomen is de taak van de netbeheerder wettelijk vastgelegd. Artikel 23 van de Elektriciteitswet bepaalt dat de netbeheerder verplicht is om degene die daarom verzoekt binnen een redelijke termijn te voorzien van een aansluiting op het net. Deze termijn is in ieder geval niet meer ‘redelijk’ indien de aansluiting later dan achttien weken na de indiening van het verzoek bij de netbeheerder wordt gerealiseerd in het geval van een aansluiting tot 10 MVA.

Bij een aansluiting voor een productieinstallatie voor de opwekking van duurzame elektriciteit, zoals zon, geldt dezelfde termijn van 18 weken. Tenzij de netbeheerder niet in redelijkheid kan worden verweten dat hij de aansluiting niet tijdig heeft gerealiseerd. Voor de volledigheid: voor aansluitingen groter dan 10 MVA stelt de wet geen maximum, maar moet per geval worden bekeken welke termijn ‘redelijk’ wordt geacht, waarbij telkens achttien weken als uitgangspunt geldt. Indien er andere vergunningen vereist zijn om de aansluiting te realiseren, bijvoorbeeld een drilvergunning voor dijken, dan kan de achttien weken periode verlengd worden.

Gerechtelijke procedures

Niet-nakoming van deze wettelijke verplichting heeft in het verleden al eerder tot gerechtelijke procedures geleid. Op 25 juli 2018 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Gelderland bepaald dat een gebrek aan (technisch) personeel geen legitieme reden is voor een netbeheerder (in dit geval Liander) om een netaansluiting buiten de redelijke termijn van achttien weken te realiseren. Het gebrek aan technisch personeel werd in dit geval niet als een uitzonderlijke omstandigheid gezien waar de netbeheerder geen invloed op kon uitoefenen. Het is op zich verbazingwekkend dat er niet vaker procedures worden gevoerd over de niet-nakoming van de wettelijke termijn. De consequentie van het niet voldoen aan de wettelijke termijn is overigens niet gering. De ACM heeft indien niet wordt voldaan aan de achttien weken termijn de mogelijkheid om op grond van art. 77i Elektriciteitswet een bestuurlijke boete op te leggen van ten hoogste € 900.000 of 10% van de omzet van de overtredende netbeheerder indien dit bedrag de € 900.000 overstijgt.

In juli 2018 heeft minister Wiebes in zijn antwoord op Kamervragen aangegeven dat een dergelijke boete tot op heden nog niet is opgelegd. Om de maatschappelijke kosten te beperken en de investeringen in het net doelgericht te houden, kunnen netbeheerders alleen investeringen doorvoeren indien het aannemelijk is dat de additionele capaciteit wordt gebruikt en deze investeringen efficiënt zijn. In de Wet Voortgang Energietransitie is bepaald dat netbeheerders elke twee jaar investeringsplannen moeten indienen voorzien van realistische prognoses. In 2017 heeft TenneT in haar Kwaliteits- en Capaciteitsplan nog getoetst hoeveel investeringen er nodig waren om de toen vastgestelde knelpunten op het net op te lossen. Uit de recente meldingen van de capaciteitsproblemen in Groningen, Drenthe en Overijssel blijkt nu dat de verwachte toename in duurzame energieprojecten te voorzichtig is ingeschaald. De vraag is of het in de huidige snel veranderende energiemarkt afdoende is om deze evaluaties tweejaarlijks uit te voeren.

Klimaatakkoord

In mei en oktober 2018 heeft minister Wiebes in zijn reacties op een aantal Kamervragen aangegeven dat zijn maatregelen om de capaciteitsproblemen aan te pakken gestalte dienen te krijgen aan de klimaattafel ‘Elektriciteit’, waarbij onder meer netbeheerders, decentrale overheden en bedrijven zich dienen te buigen over de capaciteitsproblematiek. In het op 21 december gepubliceerde ontwerp voor het Klimaatakkoord wordt hier op een zestal punten invulling aan gegeven. Eén van de beoogde stappen is het concreet invullen van regionale energiestrategieën (RES) om de ontwikkeling van duurzame energieprojecten beter te plannen en op elkaar af te stemmen met behulp van de netbeheerders en de kennis van marktpartijen.

In het Klimaatakkoord is opgenomen dat deze RES ook zogenoemde ‘locatiechecks’ dienen te bevatten. Dit houdt in dat projectontwikkelaars in een vroeg stadium, dus voor het aanvragen van vergunningen of (SDE+) subsidies, contact zoeken met de netbeheerder. De netbeheerder dient vervolgens tijd, personeel en zo nodig andere middelen beschikbaar te stellen om de projectontwikkelaars te voorzien van de nodige informatie over het net, de kosten en de tijd die nodig is om de infrastructuur te prepareren en de aansluiting te kunnen realiseren. Ook moeten de Rijksoverheid, de netbeheerders en de marktpartijen de wettelijke termijnen herevalueren. Parallel aan het Klimaatakkoord werkt minister Wiebes aan de nationale omgevingsvisie (NOVI) om te zorgen dat hierin ruimtelijk invulling wordt gegeven aan de energie transitie, binnen de bepalingen van de Omgevingswet. Het finaliseren van deze NOVI staat gepland voor 2019, wanneer naar alle waarschijnlijkheid de RES nog in ontwikkeling zullen zijn. Wiebes heeft daarop toegezegd dat de inhoudelijke afspraken die in de NOVI worden vastgelegd moeten worden afgestemd met de discussies aangaande de RES en in deze RES verder moeten worden uitgewerkt.

Zonnepanelen op dak

Haalbaarheid doelstellingen energietransitie

Verschillende projecten in Groningen, Drenthe en Overijssel kunnen door de beperkte transportcapaciteit niet van start gaan, terwijl de investeringen voor het verkrijgen van de benodigde vergunningen en subsidies reeds zijn gedaan. Zo kunnen bijvoorbeeld de beoogde zonnepanelen op het clubhuis van voetbalvereniging Nieuw Buinen niet worden aangesloten, terwijl hier al wel de subsidies voor zijn verkregen. Het probleem waar gesubsidieerde projecten tegenaan lopen is dat de subsidievergoedingen slechts worden uitgekeerd zodra de zonnepanelen operationeel zijn, hetgeen overeenkomstig de subsidievoorwaarden binnen anderhalf of drie jaar dient te worden gerealiseerd, afhankelijk van het piekvermogen van het zonnepark. Door de problemen op het net lopen deze projecten nu het risico de subsidies te verliezen. Dit staat haaks op alle moeite en kosten die met de projectontwikkeling gemoeid gaan.

In het ontwerp Klimaatakkoord is opgenomen dat de zekerheid dat de opgewekte elektriciteit aan het net kan worden geleverd een belangrijke succesfactor is voor het terugdringen van de Nederlandse CO2-uitstoot in 2030 met ten minste 49% ten opzichte van 1990. Door het niet aansluiten van projecten wordt er niet alleen effectief minder groene energie opgewekt, ook doet het de verwoede pogingen om meer draagvlak voor de energietransitie te creëren teniet. Je zult als boer of (buitenlandse) investeerder maar al het administratieve voorwerk hebben uitgevoerd met betrekking tot vergunningen, subsidies en financiering, investeringen in het land of dak hebben gedaan om er ten slotte achter te komen dat het hele feest niet doorgaat omdat het niet mogelijk is om de installatie op het net aan te sluiten binnen de verplichte realisatietermijn van de SDE+ subsidie. Het is overigens door het hiervoor vermelde verbod op discriminatie niet mogelijk voor de netbeheerder om capaciteit op het net te reserveren voor specifieke projecten, bijvoorbeeld voor kleinere zon-op-dak projecten van particulieren om meer draagvlak in de maatschappij te creëren.

Naar aanleiding van de vele nieuwsberichten begin januari 2019 zijn er door verschillende leden Kamervragen aan minister Wiebes gesteld (op 8 januari door het lid Sienot en op 10 januari door het lid Moorlag). Het zal een mooie new years resolution van de minister en de netbeheerders zijn om praktische korte termijn oplossingen te vinden om een plekje op het net te vinden voor de duurzame initiatieven in Noord-Nederland.

Energierecht in Energie

Gids Sophie Dingenen is hoofd van het Nederlandse Energy Team & co-head van de International Renewables Group van Bird & Bird LLP. Sophie en haar team adviseren al ruim 20 jaar over ondernemingsrechtelijke en contractuele vraagstukken in zowel de nationale als internationale energiesector. Ze hebben reeds vele projectontwikkelaars geadviseerd op het gebied van regulatory en transactionele vraagstukken. Daarnaast is Sophie als bestuurder van de Nederlandse WindEnergie Associatie (NWEA) nauw betrokken bij de energietransitie. Sophie zal in samenwerking met haar team maandelijks een bijdrage schrijven voor Energiegids over de laatste juridische ontwikkelingen in de sector.